Mengsel

Laten we een proefje (of chemisch experiment) doen.
Neem twee glazen water en doe in een van beide een beetje keukenzout. Roer goed. Je ziet geen verschil tussen het ene en het andere glas. In beide zit iets dat op water lijkt. Het is helder, doorzichtig en vloeibaar. Als je proeft merk je het verschil. Ook als je iemand vraagt de glazen een paar keer te verwisselen terwijl je niet kijkt kan je door proeven het verschil merken.

Het glas met alleen water bevat één enkele stof, namelijk water. Het andere glas bevat een mengsel, namelijk van water en zout. Mengsel wil zeggen: het bevat meer dan één soort chemische stof.
Dat zout en water heel andere chemische stoffen zijn kan je makkelijk zien, water is vloeibaar, zout is een vaste stof. Water smaakt naar niets en zout smaakt zout. Wat je beter niet kan uitproberen, maar misschien per ongeluk al wel eens hebt gedaan is dat zout heel anders in de ogen aanvoelt dan water.
Verschillende chemische stoffen hebben verschillende eigenschappen, zo kan je ze uit elkaar houden. Het is vaak belangrijk te weten welke eigenschappen je nodig hebt voor een bepaald doel. Zo is water beter om brand mee te blussen dan benzine. Dit vanwege de eigenschap dat water niet kan branden en benzine wel. Om dezelfde reden kan je in je auto beter benzine tanken dan water.
Dat het zoute water een mengsel was wist je meteen, tenslotte heb je het zelf gemaakt. Iedereen die wel eens brood heeft gebakken weet ook dat het een mengsel is: je gebruikt meel, water en gist en tijdens het bakken veranderen de eigenschappen nog eens, het deeg wordt harder, steviger en gaat anders ruiken. Maar het is niet altijd even eenvoudig om te zien wat een zuivere chemische stof is of een mengsel.
Scheikundigen hebben in de loop van de tijd verschillende methoden uitgevonden om te bepalen of iets een zuivere stof is of niet. Je kan dan ook vaak gewoon opzoeken of een stof zuiver is, of een mengsel.

< - >